Ulanbataar

Dinsdagochtend en dus vroeg wakker na het bezoek van de “stoker”. Na een kwartiertje is het goed warm in de Ger en dan maar uit bed. Ik had gehoopt om bij zonsopgang een paar mooie foto’s te kunnen maken van de opstijgende nevelslierten tussen de bergen. Het is ijskoud buiten, alles mooi wit gerijmd maar een hangt ook een dikke mist waardoor de bergen totaal niet zichtbaar zijn. Toch nog geprobeerd om er iets van te maken.
Het ontbijt is pas voorzien om 8h30, dus heb ik nog ruim de tijd om wat achterstand in te halen qua blog. Na het ontbijt en het afscheid van Daktsja gaat het met de wagen, samen met mijn 4 Nederlandse vrienden, richting Ulanbataar. De stelling van gisteren dat de Russen en Mongolen het binnen graag warm hebben wordt volop waargemaakt, het is stikheet in de auto, ik zit achteraan, het wegdek zit vol putten en de Mongoolse chauffeuse heeft Formule 1 ambitie. Wie mij een beetje kent, weet dat ik dus volop “genoten” heb van deze rit.
Na een klein uurtje bereiken we de buitenwijken van de stad en het plezier wordt alleen maar groter, het verkeer zit totaal vast. Ik dacht dat ik in Italië al een en ander had meegemaakt qua chaos in het verkeer maar dit is nog van een andere orde. Uiteindelijk bereiken we pas om 11h15 het hotel, snel inchecken en terug de auto in voor een bezoek aan het Gandan Boedhistisch klooster in Ulanbataar. Terug file en dus nog half uur in de auto. Om kort samen te vatten, een klote-voormiddag dus.
De gids loodst ons in een ijltempo door 3 van de vele tempels in het klooster, weet weinig meer te vertellen dan het bouwjaar en wil dan terug vertrekken met de wagen richting een of ander gigantisch ruiterstandbeeld van Chinggis Kahn aan de andere kant van de stad. Mijn potje begint lichtjes over te koken en ik bedank de gids voor de rest van de tour en wens haar veel succes met de Noorderburen. Ik hoor er in Brussel en in Zwalm al een paar denken : zo kennen we hem. Ik ga dus op mijn eentje en in alle rust verder op verkenning in het klooster en mijn humeur wordt er een stuk beter op. Het klooster is volledig ommuurd en binnen die muren bevinden zich een aantal losstaande tempels en verblijven voor de monniken. Wel bizar dat de ruimte tussen die gebouwen slechts verhard is met grove kiezel en bovendien volop gebruikt wordt als parkeerplaats, dat draagt niet echt bij tot het Zen-gevoel. De tempels binnenin zijn dan weer wel schitterend van kleur, geur en sfeer. Jammer genoeg mag er slechts in één tempel, mits extra betalen, gefotografeerd worden. Ik loop een paar paadjes in waar je waarschijnlijk niet echt mag komen en bots op een paar jongere monniken, twintigers, die in een parkje een luchtje scheppen en tot mijn verbazing zijn er een paar die mij in het Engels vragen waar ik vandaan kom. Veel heeft de conversatie niet om het lijf maar het is wel leuk om toch even contact te hebben, enkele onder hen poseren zelfs met veel goesting voor een foto.
Boedhistische monniken dat is toch een synoniem voor onthechting, meditatie, zen, … Dat beeld zal ook wel kloppen maar net daardoor is het bizar om zo’n kaalgeschoren monnik in een rode pij plots uit die pij een smartphone te zien trekken. Op een bepaald ogenblik loop ik stilletjes zo’n tempeltje binnen waar een achttal monniken in kleermakerszit voorover gebogen zitten. Mediteren ? Ze zitten alle acht op hun smartphone te kijken, geen idee wat ze aan het doen waren, waarschijnlijk Candy Crush spelen … Niet dat je met een smartphone niet Zen kan zijn, maar het is gewoon een grappig zicht.
Iets verderop zit een jongetje van een jaar of tien, helemaal uitgedost zoals zijn oudere collega’s. Hij is, met zijn tong tussen zijn tanden, in een schriftje aan het kriebelen. Ik vermoed dat hij zijn huiswerk aan het maken is. Als ik hem voorbij loop en even over zijn schouder kijk, geeft hij mij een heel guitige glimlach terug. Jammer dat ik geen foto mag maken van dit kereltje. Een half uur later ben ik genoodzaakt om de kwaliteit van de openbare toiletten te testen (details enkel op verzoek) en terwijl ik sta te wachten komt dat zelfde kereltje binnen gewandeld. Hij herkent me direct, zwaait en produceert weer die guitige glimlach en tot mijn grote verbazing vraagt hij in gebarentaal om een foto van hem te maken van hem. De foto wordt gemaakt voor de pisbakken (als dat niet zen is) maar ik slaag er niet in om hem te laten lachen, hij gaat plots heel ernstig kijken. Na de foto loopt hij lachend terug buiten.
Na het klooster dan maar op mijn eentje de stad gaan verkennen. Rond het klooster vind je een aantal wijken die ik niet anders kan omschrijven dan sloppenwijken. Onverharde wegen, met hout dichtgetimmerde omheiningen en binnen die omheining een Yurt of een houten barak. Nergens een streepje groen of een likje verf, het oogt allemaal zeer armtierig. Ulanbataar heeft één grote centrale laan, Peace Avenue, en daarrond ligt een quasi perfect dambord met kleinere straten. Moeilijk om verloren te lopen dus. Overal wordt er gebouwd maar de stad staat ook al behoorlijk vol met torenflats, Irish pubs, Amsterdam café’s, Italian restaurants, … Heel erg gericht op expats blijkbaar en niet echt het beeld wat de naam Ulanbataar bij mij oproept. Midden op Peace Avenue vind je het Chinggis Kahn – plein met, hoe kan het anders, een standbeeld van Chinggis Kahn. Voor het standbeeld staan de huwelijksparen en hun gevolg te wachten om op de foto te gaan. Het kan zijn dat ik mijn dagje niet had maar ik ben niet onder de indruk van Ulanbataar. Sowieso beetje ver voor een city trip maar er zijn volgens mij ook mooiere bestemmingen.
Het is druk in de stad en af en toe word je door één van de locals plots aangesproken met ‘how are you’ of ‘do you speak English’. Dat blijkt dan echter het enige Engels te zijn wat ze kennen, een echt gesprek zit er niet in. Regelmatig word ik ook, vooral door kinderen, gewoon aangestaard. Ik besef dat het de eerste keer is voor mij dat ik qua ras zo hard opval in het straatbeeld. Niks bijzonders, niet onaangenaam maar het valt wel op.
Ik heb vandaag ook voor de eerste keer op deze reis met stokjes gegeten, sluimer-erwten met gehakt rundvlees, pikant maar zeer lekker, alleen … ik kan vrij goed met chopsticks overweg en die sluimer-erwten dat lukt perfect, maar ken je dat gevoel na het eten van een bord spaghetti Bolognese, alle pasta is op en dan blijft er zo nog een beetje saus en gehakt over, het lekkerste beetje dus eigenlijk , maar dat dan met die stokjes.
Vorige pagina
Eastbound
Volgende pagina